Manke Nelis

Ik heb heel wat gevochten de afgelopen periode. En de tuin omgespit. Dat is eentonig werk, waardoor je tijd hebt om te vechten. En zo’n gevecht startte altijd met de ‘waarom vraag’. Waarom overkomt ons dit? Waarom gaan er zoveel mensen dood? Waarom doet U niks? Waarom zijn er zoveel verschillende meningen over hoe het komt, wat we moeten doen en hoe het opgelost moet worden? Waarom weten we nog niet alles over dit virus? Ik kon er al spittende niet over uit en vocht met God door Hem deze vragen voor de voeten te gooien. En tegelijkertijd ontstond daardoor een gevecht met mezelf: kun je dat wel maken? Vechten tegen God? Ik klein mens tegenover de Grote Almachtige?

Het is een cliché, maar o zo waar: God doet ongedachte dingen. Want toen ik een paar dagen later weer een spa in de grond stak moest ik ineens heel sterk denken aan het verhaal van Jakob bij de rivier de Jabbok. Je vindt het in Genesis 32.

25 Jakob bleef alleen achter. Opeens was er iemand die met hem begon te vechten. Ze vochten totdat het ochtend werd. 26 Toen de onbekende man merkte dat hij niet van Jakob kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan. De heup schoot uit de kom.

27 De onbekende zei: ‘Laat me gaan. Het begint al dag te worden.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan. Eerst moet u mij zegenen.’

28 De ander vroeg: ‘Hoe heet je?’ Jakob zei: ‘Ik heet Jakob.’ 29 De ander zei: ‘Voortaan heet je niet meer Jakob, maar Israël. Je hebt gevochten met God en met mensen. En je hebt gewonnen.’

30 Toen zei Jakob: ‘Vertel nu hoe u heet.’ Maar de ander zei: ‘Waarom vraag je hoe ik heet?’ Daarna zegende hij Jakob.

31 Jakob noemde die plaats Peniël. Hij zei: ‘Hier heb ik God gezien, met mijn eigen ogen. En toch ben ik blijven leven.’ 32 Toen kwam de zon op. Jakob stak de rivier over bij Peniël. Hij liep moeilijk, omdat zijn heup pijn deed.

Jakob laat zich niet overwinnen door de man. Uit Gen.29:10 weten we dat Jakob heel sterk was: Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van zijn moeders broer Laban, met Labans vee, liep hij naar de put, rolde de steen van de opening en gaf de dieren van zijn oom te drinken. Dat is opmerkelijk omdat Jakob ongeveer 96 jaar is ten tijde van dit verhaal. En blijkbaar is hij ook nog zo sterk dat hij het tegen de vreemdeling uit kan houden. Toen de vreemdeling doorkreeg dat hij niet kon winnen toont hij zijn macht door iets te doen met het heupgewricht van Jakob waardoor dat ontwricht raakt. Het woord dat door de NBG met ‘slaan’ wordt weergegeven, geeft aan dat er iets bijzonders gebeurt en is geen gewone gevechtshandeling. Jakob moet zich daardoor gerealiseerd hebben dat zijn tegenstander bijzondere mogelijkheden bezit die hij niet heeft.

In vers 27 vraagt de man of hij mag gaan, want het wordt ochtend. Maar Jakob laat de vreemdeling, (waarvan hij ondertussen wel een donkerbruin vermoeden zal hebben gehad wie dat was) niet zomaar gaan. Als de man echt iets met God te maken heeft of wellicht God zelf is, is het van belang zijn zegen te ontvangen. De vreemdeling reageert door naar de naam van Jakob te vragen. Dat is confronterend voor Jakob, want zijn naam is besmet geraakt doordat Esau de betekenis ‘bedriegen’ daaraan verbonden heeft (Gen.27:36). Jakob moet als het ware zijn ware aard bekend maken en  erkennen wie hij is, voor hij gezegend wordt.

Dan zegt de vreemdeling dat Jakob voortaan een andere naam zal dragen (vs.29). De schandnaam wordt vervangen door de erenaam Israël, dat betekent ‘God strijdt’. Apart hé? God zegt dat Jakob gewonnen heeft, maar geeft hem een naam die betekent dat God wint. Jakob mag verder gaan als iemand die wint omdat God met hem is en hem laat winnen.

En als Jakob vraagt naar de naam van de vreemdeling gebeurt er iets onverwachts. De man antwoordt ontwijkend (vs.30) en zegent Jakob vervolgens. Jakob geeft die plaats de naam ‘Peniël’, dat betekent ‘Aangezicht van God’. “Want” zo zegt hij: “ik heb God gezien en heb het er levend vanaf gebracht.” Daar kan hij moed uit putten!

De gevolgen van dit gevecht zijn wel levenslang: Jakob is voortaan mank. God laat zijn merkteken achter en Jakob is nooit meer helemaal de oude. Dat zal ook wat gedaan hebben met Jakobs zelfvertrouwen. Zijn vleselijke wapens zijn nutteloos in gevecht met God. Maar als kreupele wordt hij moedig in geloof. Uiteindelijk wint Jakob omdat hij zich realiseert dat hij volledig afhankelijk is van Gods zegen. Die veranderde houding zie je bijvoorbeeld terug in de ontmoeting met Esau (Gen. 33).

Blijkbaar mág je in gevecht gaan met God. En blijkbaar is dat gevecht voor een deel nog gelijkwaardig ook. God neemt ons serieus! Calvijn zegt ergens: ‘als Hij ons tot de strijd uitdaagt, rust Hij ons tevens toe met zijn kracht en wapens, zodat Hij tegen ons én voor ons strijdt. De rollen in deze strijd zijn zo verdeeld dat Hij ons met de ene hand aanvalt en met de ander verdedigt.’ Van aangevallen worden word je sterk. Maar alleen maar omdat God je helpt met verdedigen.

En terwijl ik het laatste onkruid verwijderde dacht ik: is dit voor ons ook niet een ‘Peniël-periode’? Misschien worden we door de recente gebeurtenissen op onze heup geslagen en lopen we voor de rest van ons leven mank. Of dragen we een litteken met ons mee. Maar als kreupele mensen mogen we net als Jakob moedig zijn door ons geloof. Als we het gevecht willen winnen lukt dat alleen als we eerlijk erkennen dat we zelf een stelletje manke nelissen zijn. Dan zal God ons net zo zegenen als hij met Jakob deed!

De grond in onze tuin is omgespit. Dat gevecht is nodig voor je kunt zaaien. En dat gun ik ons allemaal: dat onze wapens gieters worden. Dat we zelf royaal Gods zegen mogen verspreiden bij alles wat er op ons pad komt. En dat alles tot bloei zal komen, hoe gemankeerd én gemarkeerd we ook zijn!

Leave Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *